De fasen van de onderstroom

De fasen van de onderstroom

De onderstroom verloopt in fases die je kunt managen en voorspellen. Door collega’s door deze fasen te helpen, ga je van situatie A (huidig) naar situatie B (gewenst). Weerstand is vaak een signaal van de fase waarin iemand zit.

  • Urgentie Vaak overgeslagen, maar cruciaal. Mensen komen pas echt in beweging als ze voelen dat het moet. Zonder gedeelde urgentie val je terug naar situatie A.
    Kenmerk: Collega’s zeggen: “Ik zie er tegenop” of “Ik krijg er buikpijn van”. Anderen zeggen: “Ik kan niet wachten”. Gebruik de energie van de laatsten om de anderen mee te krijgen.
  • Loslaten Als het besef doordringt dat verandering onvermijdelijk is, komt men in de fase van loslaten. Men ziet wat er verloren dreigt te gaan.
    Voorbeelden: Een fysiek object (zoals een geliefd krijtbord) of een oude werkwijze (bijvoorbeeld van productgericht naar procesgericht).
  • Niet weten De oude situatie is weg, de nieuwe is er nog niet. Mensen raken de kluts kwijt, worden onzeker of paniekerig.
    Actie: Stel collega’s gerust. Het is normaal dat je het nog niet weet. Blijf controleren of de urgentie nog helder is.
  • Creatie Na de onzekere fase komt de creatieve fase. Er wordt geëxperimenteerd, uitgeprobeerd. 
    Focus: Alles is gericht op situatie B. Er zit veel hoop en positieve energie in deze fase. 
  • Nieuw begin Er ontstaat een gevoel van: “Zo doen wij dat hier!” Er komen nieuwe routines, collega’s voelen trots. Afspraken worden vastgelegd (bovenstroom) en successen gevierd.

STM helpt je dus om verder te kijken dan wat zichtbaar is. Door aandacht te hebben voor zowel de bovenstroom als de onderstroom, en door de fases van verandering te herkennen, vergroot je de kans dat je samen écht van A naar B komt — en dat cultuureducatie duurzaam landt in je school.

Bovenstroom en onderstroom van Systemisch Transitie Management